woensdag 21 januari 2026

De erotiek van het wit van papier - Etienne Colman

De erotiek van het wit van papier

Je hebt die uitgestrekte troosteloosheid van wit en dan
de schoonheid van die vlakte. Daar leven wij voor. Voor de

kwetsbaarheid van wit bij het begin hebben wij geen schrik.
Het huivert enkel bij de aanzet, maar geduldig vol gekrast zwijgt

het toch, het wit van papier. Voor het genot van het vinden of
het malheur van het vruchteloze zoeken naar de zin. De vreugde

of de kreukels na. Die redeloze hartstocht voor het maken
zonder adem. Daar doen wij het voor. Het maakt niet uit hoe alle

leven in een teken uitmondt. Zolang er maar geen mens over de
schouder meekijkt naar wat is weggegomd. We zijn geen goden,

wij zijn voorbestemd tot rimpels, lossen op. Iets jaagt ons aan.
Zit onze tijd erop, is het papier er nog. Het gaat in feite over

niets meer dan over de erotiek van het wit van papier.

© Etienne Colman


Etienne Colman tijdens een literaire avond in De Geus
in Harelbeke, op 11/10/2025 - foto © Peter Van Rompaey

Literaire avond - Ontmoeting tussen Noord en Zuid in Het Parlement in Harelbeke 


zaterdag 17 januari 2026

Eiland - Lennart Vanstaen

Eiland


Buiten is het min tien graden maar ik besluit toch een korte avondwandeling te maken, mijn lichaam is moe maar mijn geest snakt ernaar. Om de kou te trotseren giet ik de laatste slokken thee door mijn slokdarm, die hopelijk als een schoorsteen in een herenhuis de warmte vasthoudt. Mijn voetstappen echoën in de hal bij het afdalen van de wenteltrap. Ik druk de code in en duw de zware deur open. Er ligt ondertussen een dikke laag sneeuw, de straatlampen doen het witte kleed glinsteren. Met mijn handen in mijn zakken knisper ik voorzichtig naar het ijzeren poortje, dat het landhuis afscheidt van een parkweg.

Via een oude stenen brug kom ik op een kleiner eiland, dat alleen bestaat uit een park. Je kan er enkel komen via deze brug. De oppervlakte van het eiland bedraagt amper een kilometer. Door het late tijdstip en de vriestemperaturen zou het best kunnen dat ik vanavond helemaal alleen ben. De mensen die hier wonen noemen het eilandje soms een ‘enorme privétuin’. Van deze gedachte wil ik even genieten. Ik plant mijn schoenen met de hiel eerst en dan geleidelijk tot de tip in de sneeuw, heel traag, genietend van elke krakende stap, alsof nooit iemand hier eerder is geweest. 

Kleine vissersboten staan in hun metalen stallen langs de kade. Ze houden hun winterslaap onder plastic zeilen die ze beschermen tegen regen en vorst. Hier en daar brandt een fel werklicht, maar afgezien van een enkele kraai is er geen beweging. Aan de overkant van het meer, dat helemaal bevroren is en waaruit telkens met een meter of twee ertussen meerpalen omhoogsteken aan beide oevers, die me doen denken aan dat Vikingspel waar je ringen rond de palen moet gooien, zie ik rijen huizen met in de gevels allerlei verlichte vierhoekjes. Hoewel er een heldere hemel hangt, tel ik maar een ster of drie. De meest schitterende staat in het zenit boven de kerk.

De weg loopt steil naar boven en aan weerskanten staan lantaarnpalen, maar ze werpen al hun licht op het midden van het pad, alsof ze elders niet willen schijnen. Af en toe hoor ik gekraak net voor of na mijn voetstappen in de sneeuw, maar als ik achteromkijk, ben ik alleen. Uit het niets schiet er een kleine zwarte hond rakelings voorbij en volgt de weg die naar links afdraait. Over mijn schouder speur ik het sneeuwlandschap af naar een man of vrouw met een lijn in de hand, maar er is niemand. Er heerst een oorverdovende stilte, alsof de sneeuw ook een laken over al het geluid heeft gelegd. Ik schuifel opzettelijk wat harder in de sneeuw om er zeker van te zijn dat ik niet plots mijn gehoor ben verloren. Dan hoor ik de hond in de verte, het schelle geblaf kaatst tussen de kale bomen. Wanneer het blaffen is uitgestorven hoor ik heel zacht mijn naam.

Zonder aarzelen versnel ik mijn pas en volg het pad. Het is alsof mijn lichaam reageert op het horen van mijn naam, zonder dat mijn geest al een besluit had genomen. De stem klinkt steeds duidelijker en dichterbij naarmate ik het pad volg, maar de scène blijft berusten op dezelfde elementen: een sneeuwtapijt, links en rechts een bomenrij, sporadisch onderbroken door een besneeuwde smeedijzeren bank of een lantaarnpaal. De weg begint af te hellen en ik ondervind steeds meer moeite om niet uit te glijden. Uiteindelijk gebeurt toch het onvermijdelijke: ik struikel over een steen en glij naar beneden. Gelukkig kan ik mijn val breken met mijn handen.

Wanneer ik weer opsta, is het stil. Geen stem meer, geen geblaf. Ik sta nu op het breedste stuk van het eiland. Aan de rechterkant staan drie schommels. Er schijnt een witgele spot op, waarmee het bedoelde effect, namelijk dat kinderen op dit late uur nog kunnen zien wat ze doen, drastisch wordt omgekeerd, alsof de bedoeling erin bestaat om de kinderen vanuit de duisternis te begluren. Het doet me huiveren. Links staat een amfitheater. De sneeuw geeft de stenen zitjes een bepaald cachet, zoals de rode gestoffeerde stoelen in een Victoriaans theater. Op de op één na hoogste rij, pal in het midden, ontwaar ik een figuur, een man. Hij wenkt me. Wanneer ik dichterbij kom, valt het me op dat hij geen jas, sjaal, muts of handschoenen draagt. Hij is volledig kaal en gladgeschoren. Hij gaat gekleed in een maatpak, met parelmoeren manchetknopen en een kobaltblauwe vlinderdas. Hij zegt niets, hij kijkt me alleen aan en glimlacht. Ik merk op dat er geen sneeuw ligt op zijn pak.

‘Hebt u het niet koud?’ Hij schudt zijn hoofd. Aan zijn voeten ligt een hond, de hond die me eerder voorbijliep. ‘Is die hond van u? Ze zijn in dit park bijzonder streng op loslopende honden, wist u dat?’ De man geeft geen antwoord, zijn mond blijft in een gelukzalige glimlach staan, bijna zelfvoldaan. Sneeuwvlokken dwarrelen langs hem heen, hij lijkt wel een soort warmte te verspreiden. Pas wanneer ik hem wil verlaten met deze kleinburgerlijke opmerking, die ik anders niet zou maken maar die de man aan me had onttrokken door zijn zwijgzaamheid, spreekt hij.

‘Hij was niet van mij.’
‘Excuseer, wat bedoelt u?’
‘De hond. U vroeg of de hond van mij was. Hij was niet van mij, maar hij is naar me toegekomen, en wat naar me toekomt, komt me toe. Nu is hij dus van mij.’
Ik knik en maak aanstalten om te vertrekken, wanneer hij mijn arm kort aanraakt, met een zacht gebaar. Zijn hand is spierwit maar voelt warm, zelfs door mijn jas heen.
‘Bent ook u niet naar mij toegekomen?’ Zijn ogen zijn diepblauw, dezelfde kleur als zijn vlinderdas.
‘Ja, omdat u me wenkte…’ aarzel ik. ‘Maar ik moet dringend naar huis.’
‘Niemand komt zomaar’, sprak de man onverstoord verder. ‘U bent schrijver, is het niet?’
Na de vele wanhoopspogingen tot poëziebundels en een aantal mislukte romans die ik zelfs niet durf opsturen naar een uitgeverij, verval ik bij deze vraag haast automatisch in relativerende lichaamstaal: ik haal mijn schouders op, tuit mijn lippen, blaas ostentatief lucht uit mijn bolle wangen. Maar dan vraag ik me plots af hoe deze man aan die informatie komt. Net wanneer ik hem met stelligheid wil vragen of hij me soms achtervolgt, valt hij me in de rede, alsof hij mijn interne redenering heeft gehoord.
‘Ik kan u helpen. Alles wat u hoeft te doen, is mij volgen naar de brug.’

Zonder mijn antwoord af te wachten, staat hij op van de tribune en loopt hij voor me uit. De hond volgt hem en opnieuw maakt mijn lichaam dezelfde beslissing. Na een tijd komen we aan een brug, en hoewel het ontegensprekelijk dezelfde brug is, zijn we de andere kant uitgelopen. Tussen de relingen hangt een gele gloed. Ik wil hem vragen of er misschien een tweede brug is die niet op de kaart staat, maar hij wenst me enkel succes. Daarna keert hij zich om en wandelt weer in de tegenovergestelde richting. Zijn voetstappen laten geen sporen na in de sneeuw. Nu wacht mijn lichaam wel tot mijn geest besluit om over de brug te gaan. Aan de andere kant vind ik niets bijzonders, alleen de plotse zin om te schrijven.

© Lennart Vanstaen

Dit verhaal verscheen eerder ook op AzertyFactor.

Profiel van Lennart Vanstaen op AzertyFactor


Lennart Vanstaen - Foto: Azertyfactor

donderdag 15 januari 2026

Anoniem - Johan Clarysse

Anoniem *

Voor oproeper A

 
Je stopt het ouderlijke huis als verfrommeld 
papier in je broekzak.
Iets kan groeien in een hoofd
tot het geen ruimte meer laat. 

Je sloopt jezelf tot kraakpand
met een survivalkit bivakkeer je 

leest de stapelwolken boven het dakraam
– hoe ze moe van het drijven
gaan rusten in het stadspark.

Het regent gedachtestrepen, herinneringen
verliezen contouren. Je ondervraagt
de langgerekte schaduw van je vader
hertekent hem.

 
*Vrijwilligers van Tele-Onthaal bieden via telefoon of chat – anoniem en 24 op 24 uur - een luisterend oor, opvang en ondersteuning aan oproepers met levensmoeilijkheden of in crisis.

 
II

Voor oproeper J


Gedachten kiezen de verkeerde kant.
Je verzint een wachtwoord om tot ze
door te dringen, een onderduikadres.
Kansloos je gok. 

Kilo’s huwelijk hangen
als keien rond je nek. 

De regie van je leven
een vermoeiende leugen.
Je knijpt de vingers tot vuist
in het theater dat je opvoert.

Publiek heeft de zaal verlaten.


 

III

Voor oproeper Z


Te lang geschommeld in
een hangmat van geluk. 

Je maakt een bilan op
tekent harde omtreklijnen
op een doek dat valt. 

Oude charmes heb je naast je
neergelegd. Verlangen op stal gezet. 

Je loopt een record
in afstand tot elkaar. 

Opgelucht val je door de mand.

© Johan Clarysse 

Uit 'Randschade', typoscript in wording van de tweede bundel van Johan Clarysse.
De bundel zal worden voorgesteld in de Brugse Snuffel op 3 mei 2026. Herman Leenders zal de bundel inleiden.

Johan Clarysse - foto © Paul Rigolle



 

zondag 11 januari 2026

Melktanden - David Van Reybrouck

 Aangetroffen gedichten in het straatbeeld 

(en overal elders in de wereld) (36)


Melktanden

Ik kan het niet meer aanzien. De grijze lichamen. De rode vlekken.
De gebouwen die ooit scholen waren en nu nog slechts plekken
Waar het puin opklautert tegen het puin.
 
Ik kan het niet meer aanzien. De zwarte handen die verkrampten
In een godvergeten gebaar. De kapotte ogen. De kapotte mond.
Het witte kinderhaar.
 
Ik kan het niet meer aanzien hoe een land dat zo goed weet
Wat lijden is, de donkerste nacht heeft overleefd,
nu zelf zoveel vergeten is.
 
Ik kan het niet meer aanzien hoe elke poging tot gesprek
Vastloopt in hetzelfde getrek van wel en niet en wel en niet
Terwijl een volk wordt uitgemoord.
 
Ik kan het niet meer aanzien hoe de waarden waarmee wij zwaaien
Geen woorden worden, geen akkoorden breken, geen verboden geven
Maar hoe wij blijven draaien rond onze oude spijt.
 
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij melktanden uit monden slaan
Vingerkootjes maaien hoe we kinderbuikjes openscheuren en daar
Dorst en honger zaaien.
 
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij zo van schuld doordrongen
Zo verwrongen kijken naar zij die op ons lijken
En naar de bergen lijken.
 
Ik ween om kandelaren die onnoemelijk hebben geleden
Ik ween om hoefijzerbogen die geen gebed meer zullen horen
Ik ween om het geprevel van veel te vele lippen.
 
Ik kan het niet meer aanzien. De stoffige lijven. Het donkerrode kaakgewricht.
Maar ergens op een heuvelkam staat een geitje met een lam
Dat mekkert, mekkert naar het ochtendlicht.
 
© David Van Reybrouck
18 mei 2025

Aangetroffen op woensdag 7 Januari 2026 aan de deur van Boekhandel Raaklijn in Brugge.

donderdag 8 januari 2026

De Stok - Pieter Drift

Pieter Drift: "Hoop, vol berg en angst"


De stok

    ‘Volgens mij liepen ze die kant op.’ De jongen wees richting de bergen.

    ‘Renden ze of liepen ze?’

Hij dacht even na. ‘Iets er tussenin. Het tempo lag hoog maar ze renden niet.’

    ‘Hadden ze veel spullen bij zich?’

Er kwam een kleine glimlach op het gezicht van de jongen. ‘U wilt wel veel weten.’

Uit mijn binnenzak haalde ik een briefje van tien en frommelde dat in zijn hand. Direct verdweenhet in zijn broekzak.

    ‘Alle drie hadden ze een tas bij zich. De vrouw droeg twee tassen. Eentje op haar rug en de ander in de hand.’

    ‘Weet je zeker dat het er drie waren?’

    ‘Tuurlijk. Ik kan zelfs tot twintig tellen.’

    Ik haalde uit mijn andere zak nog een tientje en gaf dat ook aan hem.

    ‘Dank u hartelijk. Eeuwig zal ik u dankbaar blijven.’

Ik stak over. Aan de andere kant van de bergen lag een groot meer. Misschien hadden ze wel een boot geregeld die hen naar de overkant zou brengen. Nog één keer draaide ik me om. De jongen keek nog steeds naar mij. Hij stak zijn hand op. Ik zwaaide terug en liep verder. Eergisteren had ik ze voor het laatst gezien. Myrna met haar drie kinderen. Eentje was er nu niet meer bij. Gisterenochtend werd ik wakker en zag dat ze verdwenen waren. Snel wilde ik mijn telefoon pakken om ze via Zoek mijn iPhone te vinden, maar toen merkte ik dat ze mijn mobiel hadden meegenomen. Ik stond op en vroeg in het dorp rond of iemand een vrouw met drie kinderen had zien weggaan maar niemand had iets gemerkt. Iedereen beweerde de hele nacht geslapen te
hebben.


Ik besloot richting de bergen te lopen, want daar gingen de meesten heen. Iedereen kopieert elkaar. Ooit las ik van een brand in een tunnel op een berg. Het vuur begon op twee derde van de tunnel en kroop omhoog. Bijna alle mensen renden naar boven en stierven door verstikking, maar een paar mensen doken door het vuur naar beneden en overleefden de brand. Soms moet je het gevaar in om het te overwinnen. Mensen hebben niet veel originele gedachten. Iedereen is een copycat. Voor Myrna ben ik het vuur onder haar, niet haar dood. Het enige wat ik kon doen was naar boven lopen. Achter de bergen zou het antwoord liggen.

    ‘Wat doet u hier? Wie bent u?’ hoorde ik achter me. Ik draaide me om en zag de oudste dochter staan met een grote stok in haar hand.

    ‘Je weet wie ik ben,’ zei ik. ‘Ik ben gevraagd om jullie terug te brengen.’

    ‘Waarom?’

    ‘Daar word ik voor betaald. Uiteindelijk draait alles om geld.’

    ‘Geld is geweld zonder we. Het enige wat wij hebben is we.’

    ‘Dus jij was achtergebleven? Ik vroeg het me al af hoe het zat.’

Ze knikte langzaam. Ik zette een stap in haar richting. De stok ging iets verder omhoog.

    ‘De kans dat hier iemand doodgaat wordt steeds groter,’ zei ze. ‘Ik ben niet bang.’

    ‘Inge heet je toch?’ Ik deed een stap terug. Waar is je moeder?’

Ze bewoog niet en zei niets. Waarschijnlijk hoopte ze zo tijd te winnen.

    ‘Aan de andere kant van de berg worden jullie opgewacht.’

Ze hield de stok als een speer voor zich. Met een verbeten blik keek ze me aan.

    ‘Daarbuiten is het te gevaarlijk.’

    ‘Bij jullie is het lekker veilig,’ snauwde ze me toe.

Niemand was hier ooit vandaan gekomen. Ze keerden terug naar het kamp of gingen dood. Een andere mogelijkheid was er niet. Dit alles kon ik haar wel zeggen maar ze zou me niet geloven. Zeg tegen een soldaat dat hij waarschijnlijk de eerste zal zijn die zal sterven op het slagveld en hij zal je uitlachen. We blijven onsterfelijk tot we sterven. Ik ging op de grond zitten.

‘Zullen we praten?’ vroeg ik. Met mijn vingers speelde ik met wat steentjes op de grond. Heel even lette ik niet op. De stok kwam hard tegen mijn linkeroor. De klap was hard. Iets kraakte. Met mijn handen probeerde ik mijn gezicht te beschermen. Toen sloeg ze nogmaals op mijn hoofd.

    Het werd al donker toen ik wakker werd. De zijkant van mijn hoofd    voelde plakkerig aan maar het bloeden was gestopt. Voor mijn voeten lag de stok. Ik raapte hem op. Er zat een barst in. Met moeite kwam ik overeind. Het enige wat ik kon doen was verder omhoog lopen.

    Vanaf de top van de berg keek ik naar beneden. Op het strand lagen drie lichamen in vreemde houdingen. Zoals ik Inge had gezegd, waren ze daar opgewacht. Zij schoten eerst terwijl ik ze alleen maar zou hebben teruggebracht. Ik tuurde in de verte en meende iets te zien bewegen. Zachtjes betastte ik mijn wond. Als ik alleen zou terugkeren in het kamp, zou ik straf krijgen. Voor Inge zou er een klopjacht worden georganiseerd. Ik draaide me om en besloot alleen terug te gaan. Een andere route kon ik niet bedenken.

© Pieter Drift

Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn. 

dinsdag 6 januari 2026

Wildnissen - Gedicht 3 - Xavier Roelens

Gedicht 3

6.113

ik leer vader zijn
ik leer dat afleren niet werkt
als mijn zoon me gewoon na-aapt
zorgen is mijn daad van verzet
werken in de moestuin
en lui en lief zijn is verzet
            ik leer dat ik nooit zal tijdreizen
            maar dat de tijd me wel kan inhalen
            ik leer dat boven 37 graden celsius
            en 90 procent luchtvochtigheid
            de zweetproductie stilvalt en een mens
            het hooguit een paar uur uithoudt
            ik leer lucht – water – eten – onderdak – liefde
            de parameters van ons sterfelijk bestaan
ik leer van presidenten dat je je verhaal vertelt door te doen
en dat een daad veel lastiger te schrappen is dan een woord
ik leer van de zwarte es dat bladerdek en
wortelstelsel in balans moeten zijn je steunt altijd
op anderen en anderen steunen op jou
de zwarte es heeft dertig jaar gedaan
over de twijgen waar ik een mand mee vlecht
de aarde heeft miljoenen jaren gedaan
over de kunststof waar ik mijn gedichten op typ

© Xavier Roelens


Voorpublicatie uit de nieuwe bundel van Xavier Roelens "Wildnissen", een lyrisch-ecologisch tractaat. De bundel wordt voorgesteld op vrijdag 23/1/2026 om 19u30 u. in het Biestcafé OC De Roose in Waregem. Wildnissen is een uitgave van Atlas Contact


 


maandag 5 januari 2026

Wildnissen - Gedicht 2 - Xavier Roelens

Gedicht 2

4.03

ik zie licht ik zie lekkers
ik zie signaallampen glimwormen
met eronder de geroosterde torren
ik zie bijen ten hemel stijgen
ik zie licht ik zie lekkers
ik zie gestrande astronauten
ik zie hazen zich op hun staart zetten
een madrigaal blazen en stampen
voor een publiek van koplampen
 
4.031

om vogels levensgetrouw te schilderen schoot
Audubon ze eerst neer en met
een dode haas op
de arm en het
gezicht bedekt met
bladgoud verklaarde
Beuys tijdens een
wandeling door
het museum aan de
haas wat
kunst is
 
4.0311

de ene na de andere glimworm verbergt zich onder
beton houdt nu en dan
het hoofd in het
kelderlicht zijn
krop glanst van het
ingeslikte goud
 
4.0312

een haas in valversnelling
het verheerlijkte jachttafereel
een restje opengereten vos
 
4.032

Fabre liet de paling
die kronkelt op de versmarkt op een bed van zout
kronkelen op de bühne op een bed van zout
 
4.04

ik zie het bleke graan ontdaan
de soja ontzongen van hun
parasieten losgewrongen van
moederschap ik zie
de kippen pikken van
het graan
de koeien kauwen op de
soja opgesloten in
de maag is
het graan
een bleke graal
de soja
een ontdane musichall
 

© Xavier Roelens


Voorpublicatie uit de nieuwe bundel van Xavier Roelens "Wildnissen", een lyrisch-ecologisch tractaat. De bundel wordt voorgesteld op vrijdag 23/1/2026 om 19u30 u. in het Biestcafé OC De Roose in Waregem. Wildnissen is een uitgave van Atlas Contact


 


zondag 4 januari 2026

Wildnissen - Gedicht 1 - Xavier Roelens

Gedicht 1

1

ik verlangde dat hij wat langer, verlang jij
ook niet dat je opa nog wat langer,
of je tante, dat haar hart niet
haar kaartendelen, haar theeslurpen niet
dat al wie je liefhebt, dat ze langer

 

1.1

dan muggen, ik verlangde dat de muggen al lang, dat niet
lang meer de spinnen, verlang jij naar
kakkerlakken, of dat een rat op je keukenvloer
daar lang, dat de wants uit mijn bed, de wesp
uit mijn drankje, de dondervliegjes, ik verlangde
de dondervliegjes van mijn voorruit

 

1.11

het virus uit mijn longen, ik verlangde dat de koorts
niet langer, dat ik smakelijk onder een deken
naar de tv met een kopje thee en american cookies,
verlang jij ook niet naar thee om te genezen,
naar adem, ik verlangde dat de bladeren
niet langer het gras versmachten, dat de tuin
opgerakeld, en dan, o wat verlangde ik
naar sneeuw, naar sneeuw en thee
of neen, chocomelk slurpen verlangde ik

 

1.12

en dat mos en klaver van tussen het gras verlangde ik,
dat paardenbloemen niet langer, dat brandnetels
en distels, dat lievevrouwebedstro eventueel
maar niet hier, dat ze in een nis of berm,
weggestopt achter een beuk, waar ik niet hoef te zijn
of gekweekt voor in de soep, maar niet langer hier,

 

1.13

ik verlangde dat mijn biefstuk iets langer, de aardpeer
iets zachter, verlang jij naar kweeperenmoes
bij de kippenboutjes, naar een peperkoeken
huisje verlangde ik, ik verlangde naar een porsche
met batterijen om de marsepeinen muren
op te rijden, ik verlangde naar
de langste afstandsbediening ooit

 

1.2

en dat de muggen niet langer, dat tante
wel langer, ik verlangde eerst dat mijn mobiel
langer en nu verlang ik naar een ander,
als ik maar de camelia’s in mijn tuin
kan delen, ik verlang om hem
niet met kakkerlakken, niet met spinnen,
met mensen die hartjes, ik verlang naar hartjes

 

1.21

en verlang jij dat biefstuk niet langer
van de koe, dat kippen wat vaker in de wei,
ik verlangde elk gezelschapsspel
te winnen, zoals koeien en kippen winnen
en gras even zal winnen, ook verlangde ik
dat op aarde langer, dat er geen verliezers,
dat wij wat langer samen, dat jij lang en langer
mee zal, nog lang zal je (hiep hiep hoera)


© Xavier Roelens


Voorpublicatie uit de nieuwe bundel van Xavier Roelens "Wildnissen", een lyrisch-ecologisch tractaat. De bundel wordt voorgesteld op vrijdag 23/1/2026 om 19u30 u. in het Biestcafé OC De Roose in Waregem. Wildnissen is een uitgave van Atlas Contact


 


vrijdag 2 januari 2026

'Hoe kan een mens zo miniem mens zijn'?

Over Tabula Gaza van Mark Meekers

Yvan De Maesschalck

De dichter, romancier en beeldend kunstenaar Mark Meekers voorstellen hoeft in feite nauwelijks nog. Als dichter inspireerde hij zich vooral, zij het lang niet uitsluitend, op schilderkunstig werk van illustere voorgangers. Zo zoomde hij in de bundel Een schot in de zon (1990) in op het werk van Vincent van Gogh, wijdde hij de bundel Orpheus in de haven (2006) aan de realistische, sociaal ingestelde havenschilder Eugeen Van Mieghem en Ropsiennes (2009) aan de Belgische, maar internationaal gereputeerde, decadente symbolist Félicien Rops. Vrij onlangs publiceerde hij bij Uitgeverij P de fraai geïllustreerde bundel In het oog van de stilte (2021), waarin het merkwaardige leven en werk van de Vlaams-Nederlandse Jakob Smits centraal staan. Een mooie staalkaart van ook aan andere schilders (als Rembrandt en Paul Gauguin) refererend dichtwerk biedt de zelfbloemlezing Salto Vitale (2014), eveneens verschenen bij Uitgeverij P.

Behalve een iconografisch gericht, in formeel opzicht klassiek dichter is Meekers ook een sociaal bewogen, geëngageerd kunstenaar, die onder meer als eerste ‘Doeldichter’ (2007-2009) optrad. De neerslag van zijn toenmalige dichtersactiviteit, ondubbelzinnig gekant tegen de georkestreerde vernieling van het dorp Doel, is gebundeld in Doelgericht (2009). Zijn grensoverschrijdende sociale, cultuurhistorische en artistieke belangstelling komt op een imposante manier tot leven in Het verfwinkeltje van Père Tanguy (2024), een meer dan 450 bladzijden tellende, breed opgezette, biografische roman waarin de persoonlijke aversies en voorkeuren van toonaangevende (neo-)impressionisten (Manet, Monet, Sisley, Renoir e.a.) levendig – en in de juiste historische setting – worden geborsteld.

Hoezeer hij als mens en dichter met een betrokken, empathische blik naar het internationale strijdtoneel van vandaag kijkt, blijkt uit de pas verschenen bundel Tabula Gaza. Daarin offreert Meekers beklijvende strofische gedichten die in een kort voorwoord ‘kanttekeningen bij een oorlog’ worden genoemd. Je kunt betwijfelen of het zomaar om kanttekeningen gaat, aangezien de dichter er alles aan doet om de vele inhumane aspecten van déze oorlog, in zekere zin ‘de moeder van alle oorlogen’ na de Tweede Wereldoorlog, aan de kaak te stellen. Zijn gedichten – die zich tegelijk als een lyrisch oorlogsverslag presenteren – lezen als een wanhopig stemmende aanklacht tegen het even waanzinnige als onzinnige geweld in Palestina/Gaza.

Meekers klaagt de lijdzaamheid van het Westen aan, het afgewende hoofd, het strategisch wegkijken van gruwel en ellende, de grondeloze hypocrisie van onze politici en degenen die een ‘god’ vertegenwoordigen of het denken te doen (al heeft bijvoorbeeld de paus, toch zijn naaste gezant op aarde, zich nauwelijks laten horen of opmerken, maar misschien kijk ikzelf te weinig die kant op). Over president Donald Trump, premier Benjamin Netanyahu en hun kompanen is uiteraard geen goed woord meer mogelijk: alle woorden schieten tekort om de rationeel overwogen moorddadigheid van de VS, het medeplichtige Westen en de aan handen en voeten gebonden, gemuilkorfde Arabische staten in beeld te brengen. Meekers heeft het toch geprobeerd, in krachtige metaforen en niet mis te verstane bewoordingen.

Zo heeft hij het over ‘crapuleus / kolonialisme’, ‘tot grafkelders’ gebombardeerde ‘ziekenhuizen’, ‘de bankiers van de dood’, ‘kinderen’ die ‘stenen werpen naar ruwe tanks’ (misschien nog altijd het beeld dat de ware onmachtsverhoudingen het best visualiseert, al gaat het om veel meer: om een regelrechte genocide die al tientallen jaren aan de gang is), ‘de biljarttafel van de diplomatie’, ‘het Avondland’ waarin ‘de monden in zevenentwintig talen [zwijgen]’. En verder over de onvermijdelijke paradox dat ‘uit elke / oude pit een nieuwe boom zal opstaan’,  de gruwelijke werkelijkheid op het terrein: ‘bij elke kogel / rinkelt de kassa. geen pen die erover krast’, de onbeantwoordbare vraag ‘hoe kan een mens zo miniem mens zijn, / schrompelen tot een schaduw van zichzelf’? Een vraag die onvermijdelijk de onsterfelijke woorden van Sophocles in de tragedie Antigone oproept: ‘Vele dingen zijn verschrikkelijk, / maar niets [niet: niemand] is verschrikkelijker dan de mens’.

Deze bundel vormvaste, eloquent verwoorde verzen zou ik poëtisch gedurfd en daadkrachtig willen noemen: een luide noodkreet die niet wil of mag stilvallen, tot iedereen weet, ziet, begrijpt, tot inkeer en inzicht komt, schuld bekent, enzovoort. En er dan gaat naar handelen, uiteraard.

© Recensie: Yvan De Maesschalck


Mark Meekers
, Tabula Gaza, Uitgeverij Demer, Leusden, ISBN 9781326124854, 54 blz., te bestellen via Lulu.com

  

Halfweg augustus

 

de einder kleurt alsof een fles rode wijn
is omgestoten. ik duik in het tijdloze meer,
zwem vlinderslag zoals het een dichter
past, sla alle vleugels uit. even verlies ik 

voet en vaste grond, lichaam en mond,
word helemaal mezelf, geconcentreerd
water. de maan schuift als een witte dam-
schijf over de velden. de stilte is aan zet. 

terug op de oever, denk ik aan het bloed-
bad door soldaten in het verre van heilig
land aangericht: negen kinderen naar het
paradijs geholpen. het dagelijks zoenoffer 

aan Jahweh en Mars. het gebeurde humaan,
in hun slaap, verdoofd als terminale honden.
hoog boven de onderwereld, hinkelen ze op
roze wolkjes. de dood neemt geen snipperdag.


© Mark Meekers

Uit 'Tabula Gaza'


 


 

 

 

 

 

 

 

donderdag 1 januari 2026

Allerbeste wensen voor 2026!!!

De redactie wenst elke lezer (en niet-lezer) een fantastisch literair en Digtherlijk jaar 2026 toe! 
Laat die nieuwe teksten maar komen!



zondag 28 december 2025

Later - Bert Struyvé

Later
 
jouw rugzak zit vol met verhalen die je hoorde:
matrassen op een autodak, werkloze gamellen 
het tijdelijk geluk van een lappendeken zonder deur
 
de houten stoel die de winter niet overleeft
het kind, dat in haar wieg lacht naar de ochtendzon
terwijl alleen haar geboortedag de kalender haalt
 
je sprak al snel hallucinerend over de almacht
over het blussen van lucht zonder brand
over tranen weren van buitenstaanders per decreet
 
in je droom was je er naar eigen zeggen bij
toen de woontoren een kaartenhuis imiteerde
je vond het bijzonder dat zuurstof kan stikken in gruis
 
tot iemand schreeuwde: kan er nog wat bij in je rugtas?
zoals de bloem, die niet kleurt zonder aandacht
zoals de steel, die halveert na een enkelvoudig schot
 
pel je rugzak maar af, het boek is dichtgeslagen
er valt zelfs geen bloem meer te drogen
een ghostwriter zal later je memoires ontraden
 
zoekend met vergrootglas naar een kier voor wat licht
 

© Bert Struyvé


© foto Chris Top - Bert Struyvé @Sterrebos-optreden
Groningen 10-09-2025

zaterdag 27 december 2025

Rekening - Bert Struyvé

Rekening

er zijn leiders 
die van landhonger leven
het vuur kleeft met vonkenregen aan de donkere hemel 

zonder twijfel walmen de rookzuilen, onzichtbaar 
boven huizenhoog mensenland 
klaar voor het opdienen van het nagerecht: 
puin met uiteenlopende ingrediënten 

later de gaarkeuken achter een druipende muur van lakens
waar de mensen van marmer verder leven
nog later het vertraagde schrapen

de verstijfde pannen, waar zelfs de zon voor wijkt
men ruimt af met het scheppen van oogverblindend zand
het telraam kent te veel afgepelde ribben

maar de hongerdoden zullen opstaan om niet te vergeten 
er is geen keuzemenu, de luiken slaan dicht
zolang de rechtelijke rekening niet wordt betaald

© Bert Struyvé

© foto Chris Top - Bert Struyvé @Sterrebos-optreden
Groningen 10-09-2025


vrijdag 26 december 2025

Oplosverf - Bert Struyvé

Oplosverf

hij die graag aan touwtjes trekt 
kijkt eerst hoe je grendels en spandraden
kunt ontregelen 

daarna hoe je gebouwen met blote handen
op afstand kunt breken
zonder de fundering te ontzien 

hoe je drones uit de hemel laat dalen
met plastic bloemenslingers als camouflage
snoepgoed in een vrolijke toets 

hij denkt heel even aan de pepernoten
in de kleuterklas van vroeger, het trauma
van die handschoen om de hoek van de deur 

maar ja, nu vraagt hij hoe de bloedbanen lopen
om zijn blote handen niet te hoeven wassen
hij ziet, dat woorden de wereld raken 

hij steekt zijn hand uit, om te zien hoe het werk:
pak hem dan, voor de verbinding
ik reik mijn hand, over zijn lijn van oplosverf op waterbasis 

in zijn andere hand heeft hij een stok, trekt een cirkel
diep in een mierenhoop en knikt: kijk, ze vluchten

 

© Bert Struyvé


© foto Chris Top - Bert Struyvé @Sterrebos-optreden
Groningen 10-09-2025

dinsdag 23 december 2025

In het letterlabyrint van de liefde

Openingstoespraak van Antoon Van den Braembussche bij de voorstelling van 'Verdraaide liefde”  van Jan M. Meier.

Jan M Meier is een jong dichter. Een erg jong dichter. Dit mag een beetje vreemd klinken, maar het is pas sinds 2017 dat hij regelmatig dichtbundels het licht laat zien. Inderdaad, onder zijn echte naam Jean-Marie Maes debuteerde hij in 1972 reeds met Figuratie , een beloftevolle bundel die meteen werd bekroond met de debutantenprijs voor poëzie van de provincie Oost-Vlaanderen, Toen bleef het stil, 45 jaar lang stil, op enkele sporadische en tussentijdse gedichten na. 

In 2017 dus, op 66 jarige leeftijd, verraste hij vriend en vijand met een nieuwe bundel Engelenspoor. Deze bundel stond grotendeels in het teken van het onverwachte verlies van een eigen kind. De bundel belichaamde een prangende, aangrijpende, poëtische verkenning van dood en vergankelijkheid. Dit zette meteen de toon voor een nieuw beginnend oeuvre, waarin, aldus Dirk de Geest, de grote, existentiële vragen niet uit de weg worden gegaan. Naast een paar bundels die minder aandacht kregen, zijn het vooral Grote Gevoelens  (2020) en de dubbelbundel Verstrengelingen (2024) die zeer goed ontvangen werden en hem als dichter definitief op de kaart hebben gezet.

En nu is er Verdraaide liefde (2025), de bundel die vandaag verschijnt en die tevens opmerkelijke schilderijen en tekeningen van Johan Clarysse bevat. En zoals steeds heeft uitgeverij P voor een erg fraaie uitgave gezorgd. In feite is Verdraaide liefde een onderdeel van een ooit geplande trilogie, waarvan deel 2 Verstrengeling en deel 3 Taalslag al in de reeds genoemde dubbelbundel Verstrengelingen (2024, 144 p.) verschenen. Nu pas kan de trilogie in zijn geheel worden gelezen. De oorspronkelijk geplande volgorde is dus: Verdraaide liefde, Verstrengeling en Taalslag.

Centrale thematiek

Vanuit deze trilogie kan men gemakkelijk een centrale thematiek duiden, die meteen ook de unieke identiteit van Jan M. Meier als dichter belichaamt. Er zijn immers maar weinige dichters waarvan de liefdesgedichten zozeer verankerd zijn in het lichaam. De verstrengeling van beide lichamen tijdens de liefdesdaad wordt steevast geassocieerd met klank, muziek, bespiegeling, stilstand van de tijd en vooral ook met taal, het “letterlabyrint”, waarover de dichter spreekt. Elke vraag, elk antwoord gaat van het lichaam uit. De gedichten zijn een ode aan de lichamelijke verkenning en extase, maar tegelijk is er altijd onderhuids aanwezig: de teleurstelling, de tastbare paradox, de ironische kwinkslag, de negatieve weerslag, het nuchtere ontwaken in de tijd. Het is precies aan de dualiteit tussen ode en verwording, tussen bevrijding en verdraaiing dat deze poëzie haar unieke spankracht ontleent. Dit is ook de reden waarom de gedichten menig lezer blijvend zullen ontroeren en intrigeren. 

Verdraaide liefde

Laat ons nu een vijftal aspecten toelichten van Verdraaide Liefde die deze centrale thematiek nader toelichten en gestalte geven.

Een eerste aspect is de ode aan de lichamelijke liefde. Een aantal gedichten hebben als grondtoon de erotische betovering, Een lofzang van de liefdesdaad, de paringsdaad, letterlijk “nahijgend in schor gekrijs”, zoals het in één van de gedichten luidt. Hier wordt het dionysische karakter van de liefde beklemtoond als een (ik citeer) “storm over het slagveld van je lijf”, die uiteindelijk eindigt met (ik citeer) “hij de gemerkte man”, “doorzichtig als dubbelspiegelglas”. De minnaar bestaat haast niet meer! Hij verdwijnt in het niets. Hij is letterlijk overgeleverd aan de liefde, het verlangen, de roes, het heidens genieten, de drift als een (ik citeer) “een blinde aalscholver die duikt”. De paringsdaad wordt tegelijk niet zelden geëvoceerd als een bevrijdend oponthoud, een “dijk tegen de tijd”. 


Een tweede aspect, dat ik al her en daar aanraakte, is de dualiteit van de liefde. Het is aan deze dualiteit dat de voorliggende bundel onder meer zijn titel Verdraaide liefde ontleent. De verdraaiing slaat in de eerste plaats op de ambiguïteit van de liefde. De liefde verwijst evengoed naar goden als naar demonen, evengoed naar wellust als naar weemoed. Deze tweespalt van de liefde is bijna overal aanwezig. Het is een spanningsveld dat ook als prikkel kan worden gezien tot het dichten zelf. De tweespalt leidt ook tot een omkering van de liefde, Het gedicht vertolkt als het ware deze omkering, deze “verdraaide liefde”. Wat overblijft is, zoals de dichter getuigt, “de hapering van onze harten/in woorden bevroren”. Of nog: We zijn “tot in winterwortels bevroren”. De liefdesvervoering is “zo weer weggewist” en eindigt met “de witte kilte binnenin”. De dualiteit van hitte en ijs is overal aanwezig: zo zijn, aldus de dichter, “de fata morgana/al in het ijs verankerd”. De liefde lijdt letterlijk aan een onderhuidse verdraaiing, “een tot schaduw herschreven zon”, zoals de dichter prachtig verwoordt. “Scheur het kleed van de stilte”, zo protesteert de dichter die gevangen blijft in de tweespalt, in wat hij dooikoorts noemt, of een vagevuur dat hij als compromis omschrijft. Soms kristalliseert zich de dualiteit in een ware paradox, zoals in: “in de rechte straten van het geheugen/ blijf jij op spoorafstand/onbereikbaar binnen bereik”!?

De dualiteit wordt niet altijd even dramatisch verwoord. Dit leidt me tot een derde aspect van de bundel, namelijk de ironie van de liefde. Inderdaad, soms is de stap van tragiek naar ironie heel nadrukkelijk aanwezig. Verdraaide liefde betekent hier wat men in eerste instantie zou associëren met de titel: de dekselse liefde, de verdomde liefde, de vermaledijde of verrekte liefde. De dichter lacht met de liefde, kaffert haar uit, bekijkt haar met een ironische toets. Zo schrijft hij: “de lijn van je wang zigzagt/van kin naar oogkuil/zon en zwart gat tegelijk/dit moet liefde zijn!”. Elders wordt de liefde beleefd met “een toets van anijs”. Soms krijgt hij als minnaar “een koekje van eigen deeg”. De lach en de humor is niet zelden een mooi tegengewicht tegen de meer zwaarwichtige, soms bittere, verwrongen, wanhopige omkering van de liefde.  

Een vierde belangrijk en erg relevant aspect van de bundel is de verstrengeling van taal en liefde. Vaak is de verstrengeling van lichamen verbonden met dans, muziek en vooral de taal van het gedicht. Liefdesdaad is taal: “Hijskranen takelen letters op het blad”, zo luidt het. Zeer origineel in de bundel is de iconische band tussen liefde en schrijven, tussen liefde als opening naar taal en expressie in en door het gedicht. Zo schrijft de dichter: “het vel van liefde niet vlekkeloos/een stafrijm voor haar stotter/het witte blad onthult zijn verhaal/pas als het beschreven is”. Een ander voorbeeld is het schitterend begin van Dooikoorts I: liefde in je naam getaald/zo vangen aan de ongeschreven brieven”. Toch is de taal vaak machteloos. Zo ontgraaft de dichter naar eigen zeggen het alfabet, de taal, het gedicht, en toch blijft alles sprakeloos en in flagrante tegenspraak.

Andere, opvallende aspecten van de bundel zijn de locatie van de liefde in de ruimte en de innige band tussen eten en liefde. Ik kan de vaak dansante ruimtelijke verkenning van de ruimte (“een lichaam dat zich laaft aan pirouettes”) en de culinaire dimensie van de erotiek  hier enkel aanstippen, echter niet uitwerken. Ik zou willen eindigen met een vijfde, fundamenteel aspect van de bundel dat men niet meteen zou verwachten, namelijk de mystieke dimensie van de liefde. Naast de hapering, de vergankelijkheid, de omkering van de liefde wordt deze vergankelijkheid zelf omgekeerd. Dit is een prachtige paradox die een diepere laag van de bundel blootlegt. Liefde is enerzijds het “tederste bedrog”, maar het is tegelijk datgene wat ongrijpbaar is, In sommige gedichten, zoals in vouwmeester van woorden, wordt liefde niet zelden en vaak onverwachts geassocieerd met “oneindigheid”, “eeuwigheid” “grenzeloosheid”. Deze mystieke dimensie ligt aan gene zijde van de hapering, de verdraaiing, het vergankelijke, zelfs van de taal zelf. Liefde en de geliefde behoren uiteindelijk tot het domein van het onzegbare. En wellicht is het het onzegbare, het onbereikbare dat niet enkel de liefde maar ook het gedicht letterlijk in beweging brengt.  

Ik eindig met een zeer gaaf gedicht waarin de verstrengeling van taal, muziek en beeld zich uiteindelijk veruitwendigt in  het spanningsveld tussen hitte en ijs. Van dualiteit gesproken! Het is een dualiteit die hier opnieuw verwijst naar de “verdraaiing van de liefde”!

dooikoorts

1

liefde in je naam getaald
zo vangen aan de ongeschreven brieven 

het is een aloud verhaal
dat ik bedenk met de bekende klanken 

tot je kleuren beken ik me
met de lijnen van je lichaam

lees ik samen
van turkse baden de tedere hitte
de lafenis van lavendel 

de fata morgana
al in het ijs verankerd

© Antoon Van den Braembussche

 

Collage van de voorstelling. Van LnrR en van boven naar 
onder: gesprek met Paul Rigolle, Leo Peeraer, Jan M. Meier
en Groepsfoto met Antoon Van den Braembussche, Jan M. Meier,
Diane Ruthgeerts, Paul Rigolle, Johan Clarysse en Niels Poppe.


Antoon Van den Braembussche (foto: Paul Rigolle)

zondag 21 december 2025

Jotie T'Hooft-poëzieprijs 9° editie

 "De dichter is een gedicht, 24 uur per dag" (Jotie T'Hooft)


Wie dat wil kan nog deelnemen aan de 9° editie van de Jotie T'Hooft poëzieprijs! Er worden 1 of 2 gedichten gevraagd, geschreven in de geest van de zeer biezondere dichter die Jotie T'Hooft is geweest. En, wat ons betreft, nog altijd is! Inzenden tot 29 Januari 2025. De jury bestaat uit Daniel Billiet, Hans Hanssens, Ingrid Weverbergh, Filp De Nys en Annika Cannaerts e.a.
De prijs wordt uitgereikt op 9 mei 2026, de dag dat Jotie T'Hooft exact 70 jaar zou zijn geworden! Als dat geen goeie motivitie is om deel te nemen.

Het volledige reglement en alle deelnemingsvoorwaarden lees je hier:
Reglement 9° Jotie T'Hooft-Poëzieprijs 
Website: Jotie T'Hooft Poëzieprijs

Wikipedia-pagina Jotie T'Hooft




donderdag 18 december 2025

ADDA 3 is verschenen!

Het derde nummer van het tijdschrift ADDA is verschenen! De boeiende cahierreeks die werd opgericht door dichter-beeldhouwer Renaat Ramon, samen met Willy Tibergien, Andreas Van Rompaey en Lieve Terrie heeft tot doel om de iconische (concrete en visuele) poëzie een flinke steun in de rug te geven.
Naast ‘gevestigde waarden’ uit het eigen taalgebied, krijgen ook auteurs uit andere contreien de kans om mee te werken.

ADDA 3 kost 10 euro. Alle info via het redactiesecretariaat - Betferkerklaan 187, 8200 Brugge - ram.lam@skynet.be



woensdag 17 december 2025

Kerst - Steven Van de Putte

 Uit de cyclus 'Kijkoperatie'


Kerst

geen kookwekker maakt de tijd eenduidig: hij tikt
als verhouding tussen stomen, bakken en roeren. 

aan tafel kijken we je kookles in, je trotse morsen
met seconden die niet in de maat willen dansen

wachten enigszins bevreesd op borden die buiten
proportie zijn en voor-en hoofdgerecht verwarren. 

de kok is barok, lijdt aan horror vacui,
we blussen onze angst met een saus van humor. 

als je om middernacht voorstelt samen af te tellen
doen we mee, vieren de wedergeboorte van het kind. 

onhandig lezen we het braille van geschenkpapier.
om jou uit te pakken, is het nog te vroeg.

© Steven Van de Putte


Uit de cyclus: “Kijkoperatie”, nieuwe gedichten in wording van de voormalige Stadsdichter van Deinze.